Doping in de sport - 1967

1967

De Raad van Europa herschreef zijn definitie over doping:

"Doping is het toedienen aan of het gebruik door een gezond individu, op welke wijze dan ook, van stoffen die vreemd zijn aan het organisme dan wel van fysiologische stoffen in abnormale hoeveelheden of langs abnormale weg, zulks met als enig doel de kunstmatige en oneerlijke beïnvloeding van de prestatie van deze persoon bij zijn of haar deelname aan wedstrijden."

Het IOC besliste dat de atleten die aan de Olympische Spelen deelnamen een verklaring moesten ondertekenen dat ze geen lichaamsvreemde stoffen gebruikten om hun prestaties te verbeteren.

Het mannelijk uiterlijk van heel wat vrouwelijke Oostblokatleten leidde midden van de jaren 1960 tot speculaties, ofwel waren ze hermafrodiet, ofwel waren het mannen vermomd als vrouwen. Als reactie hierop werden in 1967 chromosoom-testen ingevoerd tijdens de Europa Cup Atletiek. Hoewel een aantal atleten bij deze screening inderdaad faalde en anderen nog voor ze getest werden op mysterieuze wijze de competitie voor bekeken hielden, kon men zich de vraag stellen of veel van die verdachte vrouwen 'genetische rariteiten' waren of dat ze gewoon testosteron of andere anabole steroïden hadden gekregen.

De politieke verantwoordelijkheid in verband met doping werd in vraag gesteld. Zo verweet men de Franse minister Maurice Herzog (1919-2012) dat hij een slechte wet had samengesteld die zich enkel op het wielrennen oriënteerde, terwijl hijzelf, als fervent alpinist, de Annapurna had beklommen met behulp van de verboden amfetamine Maxiton.

Atletiek

De Amerikaan Dick Howard (1935-1967), die op de Olympische Spelen van 1960 in Rome brons had gewonnen op de 400m horden, stierf in november 1967 aan een overdosis heroïne.

Toen de Roemeense hoogspringster Iolanda Balas (1936-2016) in 1967 haar sportcarrière beëindigde had ze 150 opeenvolgende wedstrijden gewonnen en veertien maal het wereldrecord verbeterd. Ze bracht het van 1m74 naar 1m91. Hoewel ze nooit betrapt was circuleerden geruchten dat ze anabolica had gebruikt.

Wielrennen

Samen met drie artsen verscheen de Franse renner Roger Rivière (1936-1976) voor de Rechtbank van het Franse St Etienne wegens het illegaal gebruik en voorschrijven van Palfium. Rivière kreeg dat synthetisch opiumpreparaat als pijnstiller voorgeschreven na zijn zware val in 1960, waarbij hij verlamd bleef. Hij raakte er echter aan verslaafd en ging gelijktijdig bij die drie artsen voorschriften vragen. Dagelijks slikte hij zo maar eventjes 53 tabletten van het spul. Het Gerecht toonde zich mild en veroordeelde de vier tot een boete van 200 Franse Frank.

Tijdens de beklimming van de Mont Ventoux in de dertiende etappe van de Tour de France 1967, kwakte de Engelse wielrenner Tom Simpson (1937-1967) tegen het asfalt, waarna hij overleed. De autopsie nadien toonde hoge dosissen van de metamfetamine Tonedron aan, afkomstig uit het flesje dat men in zijn zak had gevonden. Maar ook alcohol in combinatie met een diureticum zou een rol hebben gespeeld. De impact van zijn dood was enorm, vooral omdat het de eerste dopingdode was die rechtstreeks op televisie werd uitgezonden. Later vond men in zijn hotelkamer nog grote hoeveelheden andere medicamenten.

Na de voorlaatste rit van de Tour de France werd bij een controle van de eerste drie uit de rituitslag, de Zwitser René Bingelli (1941-2007), de Duitser Herbert Wilde (1940-) en de Belg Michel Jacquemin (1942-) amfetaminen en metylamfetamine gevonden. Jacquemin beschuldigde de verzorger van de Belgische ploeg, Maurits Depauw (1924-1993), ervan dat hij hem vitaminen had ingespoten. De verzorger ontkende dat met klem maar beweerde wel dat hij zijn renners voor iedere rit tabletten vitamine-C gaf. Jacquemin werd vrijgesproken omdat niet bewezen werd dat hij zich moedwillig gedopeerd had.

Omdat hij geknoeid had met de urineflesjes moest de Nederlandse wielrenner Evert Dolman (1946-1993) zijn pas veroverde nationale titel inleveren. Twee jaar voordien was hij ook al Nederlands kampioen geworden bij de amateurs, maar na afloop werd hij toen op het gebruik van amfetaminen betrapt. Een doktersvoorschrift voor neusdruppels pleitte hem toen echter vrij.

Kort na de dood van Simpson kwamen heel wat oud-renners met bekentenissen. Jean Bobet (1930-) bijvoorbeeld gaf toe dat hij in Parijs-Tours van 1958 Metedrine had geslikt en hoewel hij niet had gewonnen, had hij de hele wedstrijd toch een winnaarsdrang en een strijdlustige geest gevoeld.

Vijfvoudig Tourwinnaar Jacques Anquetil (1934-1987) verklaarde:

"Al vijftig jaar lang gebruiken renners stimulerende middelen. Uiteraard kunnen we er zonder, maar dan fietsen we elke wedstrijd tegen 25 in plaats van tegen 37km per uur. Omdat ons voortdurend gevraagd wordt om sneller te gaan en om nog meer inspanningen te leveren."

In l'Equipe liet hij optekenen

"Men moet gek of schijnheilig zijn als men denkt dat een professionele renner die jaarlijks 235 dagen koerst, zonder stimulerende middelen kan blijven doorgaan."

In het dagblad 'Le Monde' ging hij nog een stapje verder:

"Het is niet moeilijk om mij van doping te beschuldigen, kijk maar naar mijn billen, ze zijn een heus vergiet."

In een televisiedebat met een Franse minister haalde hij aan dat enkel een dwaas kon denken dat men Bordeaux-Parijs of de Dauphiné Libéré op mineraalwater kon rijden.

"Bovendien moeten de renners door de kou, door hittegolven, in de regen en over bergen rijden en daarom hebben ze het recht om zichzelf te behandelen zoals zij dat willen. Iedereen pakt doping.”

Doping werd zelfs door Charles de Gaulle (1890-1970) aanvaard, zo zei de Franse President over Anquetil:

"Doping? Welke doping? Heeft hij de Marseillaise in het buitenland laten weerklinken of niet.”

Raymond Poulidor (1936-) vertelde het volgende over zijn teammanager Antonin Magne (1904-1983) (foto):

"Aan het einde van elke rit liet hij zijn pendule om beurt over iedere renner van de ploeg zwaaien, maar ook over fiolen met homeopathische producten. Zodra de pendule trilde, betekende dit dat de renner 'positief' reageerde en kreeg hij enkele druppels van het goedje"

Na de Franse titelstrijd testte winnaar Désiré Letort (1943-2012) positief op amfetamines, iets wat hij later tijdens een radio interview ook toegaf.

Op 23 september 1967 stierf de jonge Belgische wielrenner Roger de Wilde (1942-1967) tijdens een wedstrijd in Kemzeke. De autopsie nadien wees op een enorme hoeveelheid bij wet verboden prestatiebevorderende middelen. In zijn urine werden bijvoorbeeld grote hoeveelheden amfetamine gevonden.

In een interview met het Duitse weekblad 'Stern' onthulde de Belgische oud-renner Martin Van Geneugden (1932-2014) dat hij van 1950 tot 1963 heel wat verboden middelen nam en er daardoor aan verslaafd geraakte. In zoverre dat hij ze nog steeds gebruikte om zich gelukkig te kunnen voelen.


rdsm