Doping in de sport - 1985

1985

De farmaceutische bedrijfen Genetech en Lily startten de productie van het synthetische groeihormoon hGH, dat stukken goedkoper was dan de natuurlijke vorm.

Op 21 januari meldde het Franse dagblad l’Equipe dat het directiecomité van de Amerikaanse Wielerbond (USCF) toegaf dat een aantal Amerikaanse renners, van wie de identiteit niet werd vrijgegeven, net voor de Spelen van Los Angeles bloedtransfusies had ondergaan. Het USCF bevestigde dat het geen sancties had uitgedeeld. De drie leiders van het Olympische Team Mike Fraysse (1943-), secretaris van de Wielerbond, Eddie Borysewicz (1939-), de Poolse coach van het team en Ed Burke (1949-2002) directeur van het opleidingsprogramma werden hiervoor wel verantwoordelijk gesteld.

De Hongaarse sportarts Torma bekende dat anabolica in zijn land een vast onderdeel uitmaakten van de topsport.

Een artikel in het Duitse weekblad 'Stern' meldde dat er in de Westerse medische litteratuur zeventig dodelijke dopingslachtoffers werden genoteerd, maar dat men daaraan rustig vijftig Sovjet-atleten mocht toevoegen.

De Tsjecho-Slowaakse arts L. Schmid van het Praagse Intsituut voor Sportgeneeskunde, onderzocht 780 lijken van sporters, waarvan er 218 boosaardige tumoren hadden die vermoedelijk het gevolg waren van dopinggebruik. Sedert 1983 waren meer dan dertig gevallen van leverkanker bekend na langdurig anabolicagebruik.

Atletiek

De Hongaarse discuswerper János Faragó (1946-1984) stierf aan de gevolgen van een lever- en nierbeschadiging. Via medicatie had hij zijn gewicht met 45 kilo verhoogd om het op 130 kilo te brengen.

Tijdens het EK werden de Tjechische sdisc uswerper Josef Šilhavý (1946-) en zijn landgenoot kogelstoter Remigius Machura (1960-) (foto) betrapt op het gebruik van verboden middelen.

In 1984 bracht de Bulgaarse Ljudmila Andonowa (1960-) het wereldrecord hoogspringen op 2m07. Na een meeting het jaar nadien testte ze  positief op amfetamines.

Baseball

Een enquete in de Verenigde Staten toonde aan dat 40% van de zevenhonderd professionele baseballspelers cocaïne gebruikte. Bij de tweehonderd miljoen liefhebbers zou de proportie dezelfde zijn.

Alfred Willis Holland (1952-), van 1980 tot 1986 relief pitcher bij de Pittsburgh Pirates, San Francisco Giants, Philadelphia Phillies, California Angels en New York Yankees in de Major League Baseball, werd in 1985 als getuige opgeroepen in het schandaal rond de Pittsburgh drug trials. Nadat hij zijn cocaïnegebruik toegaf, werd hij zestig dagen geschorst. Nadien werden de schorsingen van Holland en nog tien andere spelers vervangen door anti-drug donaties en dienstverlening aan de gemeenschap.

Keith Barlow Hernandez (1953-) speelde van 1983 tot 1989 eerste honkman bij de New York Nets in de Major League Baseball. Op het Pittsburgh proces kwam ook zijn cocaïnegebruik aan het licht. Hernandez geraakte af van zijn verslaving en werd honkbal-analist bij TV-zender WPIX.

Dale Berra (1956-) speelde van 1977 tot 1987 infielder bij de Pittsburgh Pirates, New York Yankees en Houston Astros in de Major League Baseball. Op 9 september 1985 bekende hij dat hij samen met zijn ploegmaats Lee Lacy (1948-), John Milner (1949-2000), Dave Parker (1951-), Lee Mazzilli (1955-) en Rod Scurry (1956-1992) cocaïne had gesnoven. In april 1989 werd Berra aangeklaagd voor het verdelen van grote hoeveelheden cocaïne, zo zou hij in zijn woonplaats Essex Count, New Jersey wekelijks tussen vijftien- en twintigduizend Dollar verhandeld hebben.

John Miller (1949-2000) van zijn kant bekende dat hij van 1978 tot 1984 cocaïne had gebruikt, die hij voor tweehonderd Dollar per twee gram in de doucheruimten van het stadion kocht. Hij gaf ook toe dat hij ‘red juice’ gebruikte, een vloeibare amfetamine, die hij bij Willie Mays (1931-) kocht, een voormalig speler van de New York Mets, en ‘greenies’, een andere amfetamine, die zijn ploegmaten Dale Berra (1956-) en Dave Parker (1951-) verhandelden. Die kregen ze op hun beurt dan weer te pakken van voormalig speler Willie Stargell (1940-2001). Milner stierf in 2000 na een lang gevecht tegen longkanker.

Rodney Scurry (1956-1992) was acht seizoenen lang pitcher bij de Pittsburgh Pirates, New York Yankees en Seattle Mariners in de Major League. Tijdens het proces bekende hij dat hij tussen 1982 en 1983 zeker negentien keer cocaïne had gekocht. Op 29 oktober 1992 vond men Scurry in de voortuin van zijn woonst, angstig jammerend dat zijn huis vol slangen zat die hem bekropen en gebeten hadden. Toen politieagenten hem de handboeien wilden aanleggen werd hij gewelddadig en stopte hij plots met ademen. De week nadien stierf hij in het Washoe Medical Center aan een hartaanval, veroorzaakt door zijn overmatig cocaïnegebruik.

Gewichtheffen

Op het WK powerliften werden vijf Amerikaanse deelnemers uitgesloten omdat ze anabole steroïden hadden gebruikt.

De Duitse gewichtheffer Karl-Heinz Radschinsky (1953-), het jaar voordien nog Olympisch kampioen, werd gevangen genomen toen uitkwam dat hij voor tweehonderdduizend Deutsche Mark (= 100.000 Euro) 220.000 pillen en honderden spuiten anabolica had verkocht. Een apotheker die ook bodybuilder was zat mee in het complot maar vond zichzelf niet schuldig:

"Als ze de spullen niet van mij hadden gekregen, had iemand anders ze wel geleverd."

Wielrennen

De Deense renner Kim Andersen (1958-) kreeg een maand schorsing nadat hij in de Ronde van Latium betrapt werd op het gebruik van norefidrine. Het jaar nadien diskwalificeerde men hem in de Waalse Pijl, Paris-Camembert en de Ronde van Noord-West Zwitserland. Toen hij in 1987 tijdens de Ronde van Limousin positief reageerde op testosteron was hij de eerste renner die levenslang geschorst werd. Eigenaardig genoeg werd die schorsing tot een jaartje ingekort, maar in 1992 vloog hij tijdens de Amstel Gold Race opnieuw tegen de lamp omdat hij aneptim genomen had. Nu was de levenslange schorsing wel een feit. Tot verbazing van velen werd hij sportbestuurder bij CSC.


rdsm