Geschiedenis van de Sportgeneeskunde - 1701-1750

1701

De Italiaanse hoogleraar Bernardino Ramazzini (1633-1714), die algemeen als de eerste arbeidsgeneesheer beschouwd wordt, onderzocht systematisch werkgebonden ziekten, met speciale aandacht voor die van jockeys, atleten en hardlopers.

1702

In zijn 'De Motu Optima Corporis Medicina' beschreef de Duitse arts en chemicus Friedrich Hoffmann (1660-1742) de medische lichaamsbeweging, waarbij hij een onderscheid maakte tussen passieve en actieve beweging. Ook hij gebruikte lichaamsoefeningen voor het verbeteren van de gezondheid. Hij promoveerde in 1719 met experimenteel onderzoek over de effecten van lichaamsbeweging op zowel het menselijke cardiovasculaire systeem als op de spijsvertering.

1705

In Londen publiceerde de Britse arts Francis Fuller (1670-1706) 'Medical Gymnastics: A Treatise Concerning the Power of Exercise', een van de meest ingrijpende discussies over de rol van oefenen als medicijn, zowel op het vlak van genezing als op het vlak van preventie van aandoeningen. Wat hij besprak was proefondervindelijk, want na een krachtige externe behandeling van een jeukaanval zat hij met een ernstige, met dyspepsie gepaard gaande hypochondrie geplaagd, die hij behandelde met braakmiddelen en oefeningen op een paard. Zo stelde hij:

"Dat het gebruik van oefeningen erg veel bijdraagt tot het behoud van gezondheid wordt nauwelijks betwist; maar dat het bij bepaalde kwalen, als nauwelijks iets anders helpt, ook curatief blijkt te zijn lijkt bij heel wat mensen weinig krediet te krijgen, hoewel ze gehoor geven aan een arts als hij hen aanraadt frequent gebruik te maken van paardrijden, of enige andere vorm van oefening; kijken ze er tenslotte op neer als was het een verloren methode, en eerder een effect van zijn onvermogen om hen te verlichten, dan van zijn overtuiging dat er geen grote zaak is in wat hij adviseert. Door nalatige onverschilligheid bedriegen ze dus op die manier zichzelf en laten ze door hevige strijd gouden herstelkansen ontglippen, die niet enkel door het gebruik van medicijnen konden verkregen worden."

1707

Op 18-jarige leeftijd studeerde de Italiaan Giovanni Maria Lancisi (1654-1720) af als arts aan de Universiteit van Rome en achtereenvolgens werd hij lijfarts van de Pausen Innocentius XI (1611-1689), Innocentius XII (1615-1700) en Clementius XI (1649-1721). Op verzoek van Clementius XI schreef hij het proefschrift 'De subitaneis mortibus' (Over de plotse dood) om het toenemend aantal plotse doden in Rome te verklaren. Lancisi wijdde die plotse dood aan cerebrale haemoragie, aan het vegeteren van de hartkleppen en aan cardiale hypertrofie en dilatatie. In 'De motu cordis et aneurysmatibus', een ander beroemd werk uit 1728, omschreef hij meerdere oorzaken van hartvergroting en hij was ook de eerste die syfilis vermeldde als oorzaak van aneurisma, waarmee hij een opvallende bijdrage leverde aan de kennis van cardiale pathologie. Lancini omschreef ook ongewone structuren aan de ingang van de aorta.

1707

Voor een correcte polsmeting vond de Engelse arts Sir John Floyer (1649-1734) de 'one minute pulse watch' uit. Floyer was een van de eerste Britten die in de dagelijkse praktijk de pols voelde. Hij noteerde zijn metingen en observaties waardoor hij een relatie wilde leggen tussen de pols en andere parameters, zoals ademhalingsritme, temperatuur, barometerstand, leeftijd, geslacht, seizoen en zelfs de klimaatgordel waarin de metingen gebeurden. In het begin gebruikte hij voor zijn tijdsopname de minutenwijzer van een penduleklok.

Daarna vroeg hij aan horlogemaker Samuel Watson (1687-1710), een beschermeling van Sir Isaac Newton (1642-1727), om een horloge aan te passen voor polsregistratie. Naast een tweede wijzer had de 'pulse watch' ook een speciale hendel die het mechanisme deed stoppen. Het was de eerste chronometer, die exact zestig seconden liep en speciaal vervaardigd werd voor het tellen van het aantal pulsen per minuut. De 'Pulse Watch' was zowel op de Grieks-Romeinse arts Galenus (129-200) als op Italiaanse arts en fysioloog Sanctorius (1561-1636) geïnspireerd. Floyer gebruikte het toestel om precieze metingen van de polssnelheid te bekomen, in plaats van ze als 'zwak', 'snel', of 'galopperend' te omschrijven en was daarmee de eerste arts die de pols nauwkeurig chronometreerde.

1711

De Schotse arts James Keill (1673-1791) publiceerde in zijn ‘An Account of Animal Secretion, the Quantity of Blood in the Humane Body, and Muscular Motion’ dat spierkracht gekoppeld is aan het aantal aanwezige vezels.

1710

De Ierse Professor Geneeskunde Bryan Robinson (1680-1754) noteerde bij proefpersonen dat hun hartslag liggend 64b/min was, zittend 68b/min, staande 78 b/min, tot 100 b/min steeg als ze 4 mijl wandelden en tot 140 à 150 b/min opliep als ze zo snel mogelijk liepen. Hij stelde ook dat de op de spieren uitgeoefende krachten veroorzaakt worden door de wil en dat ze door de zenuwen worden uitgevoerd. Volgens hem zijn zenuwen de voornaamste instrumenten voor sensatie en beweging. Hij was ook een groot verdediger van matige lichaamsoefeningen voor het versterken van de spierkracht en -omvang en hij bevestigde dat getrainde personen grotere en sterkere spieren hadden dan sedentaire personen. Later werd dit bevestigd door de Parijse arts Joseph Clement Tissot (1747-1826).

1713

Gedurende hun studie over de anatomie en de fysiologie van het hart analyseerden anderen de perifere pols, die de mechanische expressie is van cardiale activiteit. In 1713 gebruikte de Duitse huisarts Michael Bernhard Valentini (1657-1725) 'polsdiagrammen' in zijn dagelijkse praktijk.

1719

De Graham-Desagulier dynamometer werd uitgevonden door George Graham (1673-1751) en staat vermeld in de geschriften van Jean Desaguliers (1683-1744). Het toestel werkte via een hendel en door het aanpassen van een glijdend gewicht op de balansarm tot de gecontracteerde spier het net kon tillen.

 

George Graham (1673–1751) was een Engelse uurwerkmaker en uitvinder. Jean Desaguliers (1683–1744) was een in Frankrijk geboren Britse priester, wetenschapper en natuurfilosoof die voor zijn ontdekking van de eigenschappen van elektriciteit in 1741 bekroond werd met de prestigieuze Copley award van de Royal London Society. Als groot bewonderaar van sterke mannen hielp Desaguliers ook mee aan de ontwikkeling van een dynamometer om de spierkracht te meten.

1741


De Franse arts Nicolas Andry de Boisregard (1658-1742), die ook decaan was van de Faculteit Geneeskunde aan de Universiteit van Parijs, publiceerde 'L'Orthopédie ou l'Art de prévenir et de corriger dans les enfants les difformités du corps', waarin hij een gedetailleerde beschrijving gaf van een therapie met lichaamsoefeningen.

 


rdsm