Geschiedenis van de Sportgeneeskunde - 1923

In 1923 publiceerde de Duitse internist en sportarts Herbert Herxheimer (1894-1985) ‘Die Rolle der Leibesübungen in der Therapie’, waarin hij de therapeutische procedures van bewegingstherapie, fysiotherapie en revalidatie behandelde.

In Frankrijk werd een hogere opleiding lichamelijke opvoeding gedoceerd aan de medische scholen van Parijs, Lyon, Nancy en Lille.

In Den Haag werd het eerste Nederlandse sportkeuringsbureau opgericht, dat zeer vlug navolging kende en in 1930 verenigden deze sportkeuringsbureaus zich tot de 'Federatie van Bureaux voor Medische Sportkeuring'. Door het verplicht stellen van de sportkeuring werden er in de topjaren 300.000 keuringen verricht in 225 verschillende centra. De sportkeuring was zeer summier, werd veelal door huisartsen uitgevoerd en beperkte zich meestal tot tien diepe kniebuigingen.

De Britse Fysioloog en Nobelprijswinnaar Archibald Vivian Hill (1886-1977) publiceerde het artikel 'Muscular exercise, lactic acid, and the supply and utilization of oxygen' in de Quarterly Journal of Medicine, waarin hij stelde:

"Bij het lopen neemt de zuurstofbehoefte continu toe als de snelheid verhoogt, .... De zuurstofopname kan haar maximum bereiken en constant blijven louter omdat ze vanwege de beperkingen van de bloedsomloop en de ademhalingswegen niet hoger kan gaan."

Aan de Universiteit van Kopenhagen ontwikkelde diabetoloog Hans Christian Hagedorn (1888-1971) een speciaal voor klinisch gebruik aangepast toestel dat het zuurstofverbruik en de koolstofdioxide output grafisch kon registreren. Zijn ervaringen met de respiratiemachine van de Deense fysioloog August Krogh (1874-1949) leerden hem dat het voor klinisch onderzoek enorm nuttig is om ook de zuurstofconsumptie grafisch weer te geven. Want de grafieken toonden aan of respiratie en metabolisme uniform waren of niet, een belangrijke controle bij het bestuderen van proefpersonen die niet voor metabole experimenten getraind waren. Met de tabellen van de Duitse fysioloog Nathan Zuntz (1847-1920) kon hij de hitteproductie berekenen en hij gebruikte ook de berekeningen en tabellen van de Deense fysioloog August Krogh (1874-1949). De ventilatie berekende hij met een goede planimeter die de totale zone tussen inspiraties en expiraties kon meten. De meting van de planimeter gaf op de abscis een zone weer die gedeeld door de lengte van het experiment in centimeters de gemiddelde diepte weergaf van de respiratie. Via een speciale schaalverdeling kon die dan in liters omgerekend worden. De gemiddelde respiratie vermenigvuldigd met het aantal respiraties tijdens het experiment en gedeeld door de duur van het experiment in minuten gaf de ventilatie per minuut.


rdsm
run4brain