Geschiedenis van de Sportgeneeskunde - 1925

1925

De Duitse Professor Fysiologie Max Rubner (1854-1932), een internationaal erkend metabolisme-onderzoeker die directeur was van het Robert Koch Instituut in Berlijn, stelde vast dat skeletspieren 43% van het totale lichaamsgewicht vertegenwoordigen bij volwassenen en dat het totale bewegingsapparaat inclusief botten, hart en longen 61% bedraagt. Het grootste deel van de musculatuur gaat naar de benen (56%) en bovenste ledematen (28%). De hoofd- en rompspieren vertegenwoordigen 16% van het totale lichaamsgewicht. Ook constateerde hij dat 3.200 kcal voldoende zijn voor de dagelijkse energiebehoefte van lichamelijke oefening voor een persoon van 70 kg, terwijl 2.600 calorieën voldoen voor eenvoudig kantoorwerk. Het metabolisme van een boerderijmedewerker tijdens het oogsten zou 4.300 kcal zijn. De piekwaarden van het dagelijkse calorie-verbruik bij houthakkers komt neer op ongeveer 6.000 kcal voor een persoon van 70 kg. Lange-afstand wielrenners kunnen echter een piek van 11.000 kcal bereiken. Rubner nam aan dat het darmstelsel een beperkende factor is voor de opname van calorieën in het menselijke lichaam. Een meerdaagse herhaling van dergelijke grote inspanning zou onvermijdelijk tot gewichtsverlies leiden.

1925

De Benedict-Collins oxi-calorimeter voor het bepalen van de energiewaarden van voeding, voedingsstoffen en excreties.

1925

De Duitse Internist Herbert Herxheimer (1894-1985) beschreef zeer precies de psychische en fysische effecten van overtraining, met ondermeer een daling van de maximale zuurstofopname, verminderde eetlust, neiging tot zweten, rillingen, schokkerige reflexen, en uitgesproken respiratoire arritmie met een duidelijk overwicht van het parasympathische deel. Hij nam ook obstipatie en pijnlijke maagkrampen waar. Herxheimer publiceerde zijn volledige sportgeneeskundige kennis in het beroemde boek 'Outlines of the Sports Medicine for Physicians and Students' uit 1933. Herxheimer beschreef ook het verband tussen de grootte van het hart en hardlopen. Hij vond een toename van de transversale diameters van het hart in de volgende oplopende volgorde: boksen, zwemmen, middenafstandslopen, langeafstandslopen, marathonlopen, en langeafstandskiën. Vooral grote harten werken aan een groter slagvolume, wat tot een bradycardie in rust kan leiden. De bloeddruk van duursporters zou laag zijn.

1925

Op aanraden van de Duitse Professor Psychiatrie Friedrich Husemann (1887-1957) stichtte de Duitse arts Margarethe Hauschka-Stafenhagen (1896-1980) een 'therapieschool voor artistiek en massage' in Bad Boll, waar ze les gaf tot aan haar dood. Omwille van de oorlog verhuisde ze in 1940 naar Oostenrijk waar ze de medische leiding aanvaardde van de thermen van Gnadenwald, haar aangeboden door Professor Rudolf Hauschka (1891-1969), met wie ze later trouwde.


rdsm