Geschiedenis van de Sportgeneeskunde - 1928

1928

Naar aanleiding van de 2de Olympische Winterspelen en op uitnodiging van de Zwitserse chirurg en sportarts Wilhelm Knoll (1879-1958) en het Zwitserse Nationaal Olympisch Comité kwamen 33 artsen uit elf verschillende landen samen in St. Moritz. In het kader van deze bijeenkomst formuleerde Knoll de opgaven en doelstellingen van een internationale vereniging van sportartsen.

Nadat de Franse Professor Anatomie André Latarjet (1877-1947) de Duitse bijdrage benadrukte voor het opstarten van Sportgeneeskunde, werd de Fédération Internationale de Médecine du Sport (FIMS) opgericht. Knoll werd tot eerste voorzitter verkozen. Tijdens die Winterspelen stelde het Zwitserse Rode Kruis enkele barakken ter beschikking voor de aanwezige sportartsen, waarin wetenschappelijke sportmedische onderzoeken gebeurden. Er werden anthropometrische metingen genoteerd van de atleten, RX onderzoeken gedaan en cardiovasculaire en metabole studies uitgevoerd.

1928

Voor het eerst benoemde de British Olympic Association (BOA) een officiële 'medical officer'. In de Lancet verscheen een artikel waarin, vergeleken met het Europese continent en speciaal met Duitsland, het gebrek aan Britse specialisten Sportgeneeskunde werd aangekaart. Een en ander resulteerde in de oprichting van de National Fitness Council en de subsidies voor fysiologisch onderzoek gingen de hoogte in.

1928

De Amerikaanse cardiologen Harold Feil (1889-1987) en Mortimer L. Siegel (1898-1982) benadrukten als eersten het belang van cardiale stress-testen. Bij drie patiënten met chronisch stabiele angina rapporteerden zij ST- en T-wijzigingen na inspanning. Zij lieten hun patiënten set-ups doen en rapporteerden hun bevindingen in het artikel 'Electrocardiographic changes during attacks of angina pectoris', dat in de American Journal of Medical Science verscheen. Beide onderzoekers omschreven de veranderingen als een gevolg van de afname van de bloedstroom naar het hart en ze publiceerden tracings die een terugkeer naar normaal vertoonden nadat de pijn verdwenen was en ook na toediening van nitroglycerine. Feil en Siegel voerden hun stresstests uit door de patiënten sit-ups te laten doen, in geselecteerde gevallen hielden ze hun handen op de borst van de patiënt om de weerstand te verhogen en daarmee ook de energie die nodig is om deze manoeuvre uit te voeren.

1928

Aan de Universiteiten van Leipzig en Hamburg werden de eerste officiële cursussen Sportgeneeskunde gegeven. In Hamburg koos men voor de Zwitserse chirurg en sportarts Wilhelm Knoll (1879-1958), in Leipzig kreeg de Duitse internist en sportarts Arno Arnold (1897-1963) (foto) die taak toegewezen. In 1936 werd Arnold officieel tot hoogleraar Sportgeneeskunde benoemd. In 1940 stelde men hem in Dresden aan het hoofd van de Staatsanstalt für Krankengymnastik und Massage en tijdens de tweede Wereldoorlog werkte Arnold als Oberstabsarzt in het Lazarett Bad Elster, waar hij zich na de oorlog vestigde en er de leiding kreeg over de lokale Kurklinik. In 1954 verhuisde hij naar het Thermalbades Wiesenbad in Annaberg-Buchholz die hij tot 1963 leidde. Naast een groot aantal publicaties over Sportgeneeskunde gaf hij ook jarenlang cursus. In 1954 werd hij de eerste voorzitter van de nieuw gevormde Arbeitsgemeinschaft für Sportmedizin van de DDR.

1928

De Duitse Professor Inwendige Ziekten Max Bürger (1885-1966) was de eerste die in het klinisch laboratorium van Brugsch-Schittenhelm een sportfysiologische onderzoeksmethode startte. Later was hij in de DDR de initiatiefnemer voor het oprichten van een sportmedisch vakgezelschap.

1928

De Franse Professor Fysiologie Paul Chailley-Bert (1890-1973) startte in Nancy een eerste cursus arbeids- en sportgeneeskunde

1928

Tijdens de Olympische Spelen van Amsterdam werd voor het eerst aan medisch onderzoek gedaan. De Nederlander Frederik Jacobus Johannes Buytendijk (1887-1974), hoogleraar fysiologie aan de Universiteit van Groningen, leidde het gebeuren en publiceerde nadien zijn 'Short report regarding the medical scientific research work during the Olympic Games'. Dank zij het Nederlands Olympisch Comité werden in het Olympisch Stadion enkele kamers vrijgemaakt voor medisch onderzoek. Het doel was om een beter inzicht te krijgen over de trainingstoestand van de atleten en om de nadelen te kunnen traceren die voortspruiten uit het beoefenen van veeleisende sporten. Er werd onderzoek verricht naar antropometrie, krachtmetingen, reactieperiode, herstel na vermoeidheid, algemeen klinisch onderzoek, radiologie van de gewrichten, hart en circulatie, spijsvertering, bloed en secretie van urine en zweet. Hieraan werkten heel wat befaamde wetenschappers mee. De resultaten werden gebundeld in een boek dat door het Berlijnse Springer Verlag werd uitgegeven. Het boek bevatte artikels van Professor Wolfgang Kohlrausch (1888-1980) en Professor Benedykt Dybowski (1833-1930) over antropometrie, Professor Hans Bethe (1906-2005) over krachtmeting, Professor André Latarjet (1877-1947), Dokter Laugier en Dokter Fessard over reactieperiode en herstel na vermoeidheid, Dokter Heiss over RX van de gewrichten, Dokter Herbert Herxheimer (1894-1985) en Dokter Deutsch met 952 RX -onderzoeken van het hart, Professor Max Bürger (1885-1966) over bloeddrukmetingen, Dokter Hoogerwerf over ECG's, Professor John Crighton Bramwell (1889-1976) en Dokter Ellis over hart- en bloeddrukonderzoek, Dokter Marx over spijsvertering, Professor Hüntermüller en Professor Thörner over bloedonderzoek, Professor Ernst-Günther Schenk (1904-1998) over urine-onderzoek en Professor Isidore Snapper (1889-1971) over zweetuitscheiding. De resultaten toonden aan dat zelfs bij goed begeleide atleten voorzichtigheid geboden is. In sommige gevallen werden onregelmatigheden in de hart- of circulatiefuncties waargenomen. De grootste afwijkingen werden gevonden bij de middenafstand lopers. Tijdens het RX onderzoek van de gewrichten vond Dr. Heiss anatomische onregelmatigheden vooral in éénzijdig betwiste sporten zoals boksen, kogelstoten, speerwerpen en hoogspringen.

Prof. Buytendijk bij de afname van een ECG

1928

De Duitse inspanningsfysioloog Richard Herbst (1893-1949) uit Königsberg Oost-Pruisen publiceerde de resultaten van een experimenteel onderzoek over de manier van maximale zuurstofopname tijdens verschillende trainingscondities bij mensen van verschillende leeftijd. Volgens Herbst hadden op uithoudingsvermogen getrainde proefpersonen een hogere zuurstofopname dan niet-getrainden. Na het bereiken van de maximale zuurstofopname waarde werd hun ventilatie nog verder verhoogd. Herbst gebruikte de Douglasbag voor de respiratoire gasanalyse van hardlopers en fietsers. Met behulp van die Douglasbag en via gasanalyse onderzocht hij ook het effect op de loopafstanden tussen 100m en de marathon. De verkregen waarden van dat ogenblik kwamen overeen met de huidige metingen, bij de marathon bijvoorbeeld een energieverbruik van 3050 kcal, bij een 100m sprint een energieverbruik van 50 kcal. Aanhoudend lopen van meer dan drie minuten werd uit de grootte van de maximale zuurstofopname bepaald. Deze parameters betekenden dus het meten van het prestatieniveau. Het longventilatievolume nam verder toe na het bereiken van de maximale zuurstofopname. De Cardiale Output werd als belangrijkste factor naar voor geschoven voor de beperking van de lichamelijke conditie.

1928

In Berlijn werden op deze manier de eerste veldtesten ergospirometrie uitgevoerd en met een Douglasbag werd het gasmetabolisme gemeten bij inspanning.


rdsm