Geschiedenis van de Sportgeneeskunde - 1967

Om de kwaliteit van de Duitse sportartsen te verbeteren, werd de ‘Zusatzbezeichnung Sportmedizin’ ontworpen.

De 'Kiev Scientific Research Institute of Medical Problems in Physical Culture and Sports' zag het levenslicht.

In 1967 richtte het Internationaal Olympisch Comité (IOC) een medische commissie op die drie fundamentele doelstellingen had:

  1. Het beschermen van de gezondheid van de atleten,
  2. Het naleven van de medische ethiek en de sportethiek
  3. De gelijke behandeling van alle atleten tijdens wedstrijden.

Dit voorbeeld kende navolging, want onder toezicht van een arts startte iedere internationale sportfederatie een eigen medische commissie.

De nieuw gevormde IOC Medical Commission had de Belgische Prins Alexandre de Merode (1934-2002) als voorzitter en de Hongaarse voetballegende Arpad Csanadi (1923-1983) als vice-voorzitter. De andere leden waren de Britse Professor Farmacie Arnold Beckett (1920-2010), de Nederlandse arts Pieter van Dijk, de Belgische arts Albert Dirix (1914-1999), de Mexicaanse gynaecoloog Eduardo Hay, de Franse arts Roger Genin en de Italiaanse Professor Sportgeneeskunde Giuseppe La Cava (1908-1988) als vertegenwoordiger van de FIMS. Tijdens de eerste vergaderingen werden de sancties vastgelegd en werd bepaald welke tests men moest gebruiken, welke atleten getest moesten worden en werd er een lijst samengesteld van verboden stoffen.

Op het EK van 1967 in Kiev, slaagde de Poolse 100m-loopster Eva Klobukowska (1946-) als eerste niet voor de sekstest.

Noorwegen startte in 1967 het TRIM-programma waarbij mensen gestimuleerd werden om zoveel mogelijk deel te nemen aan aantrekkelijke en individuele sporten. Zweden volgde in 1973 en Quebec met het Kino-Quebec-programma in 1975. Andere landen introduceerden de lichamelijke activiteit in het algemeen kader van gezondheidsbevordering: Zwitserland, West-Duitsland, Japan... De Verenigde Staten daarentegen hadden geen homogeen federaal programma, elke staat had zijn eigen strategie.

De Amerikaanse cardioloog George P. Robb (1898-1983) van de University of Texas en de Amerikaanse statisticus Herbert H. Marks (1892-1975) van de Metropolitan Life Insurance Company uit New York publiceerden de follow-up gegevens van 2.224 mannelijke aanvragers van levensverzekeringen en voor het eerst gaven ze een statistische verificatie van de voorspelde waarde van de ST-segmentdepressie. Ze toonden aan dat de aanwezigheid van horizontale of downsloping ST-segmenten na de dubbele mastertest betrouwbaarder is dan de medische voorgeschiedenis van de patiënt in het voorspellen van mogelijke coronaire afwijkingen. Ze stelden ook vast dat een diepe ST-segmentdepressie een ernstigere prognose met zich meebrengt dan een matige.


rdsm
run4brain