Sportarts-Sporter 1920

1920

In 1941, 1943, 1947 en 1949 won Inge Bausenwein (1920-2008) de Duitse titel speerwerpen. In 1952 werd ze voor de Olympische Spelen van Helsinki geselecteerd, waar ze twaalfde eindigde. Nadat ze afstudeerde in sport, geschiedenis en geografie werkte ze tijdens de oorlogsjaren als lerares in een meisjesschool. In 1944 haalde ze haar diploma Geneeskunde en huwde ze de neuroloog Jörg Bausenwein. Na de Spelen van Helsinki werd ze teamarts van het Duits Olympisch team, voorzitter van de sectie vrouwensport van de Duitse Vereniging voor Sportgeneeskunde en verantwoordelijke arts voor de jeugdsport bij het Duitse Ministerie van Volksgezondheid. In 1960 werd ze tot docente Sportgeneeskunde benoemd aan de Universität Erlangen-Nuremberg. Zij stichtte de vereniging voor de bevordering van spastisch verlamde kinderen. In haar privé praktijk in het Duitse Boxdorf begeleidde ze mindervaliden bij het sporten, maar was ze ook de vertrouwensarts van het duo kunstschaatsen Marika Kilius (1943-) en Hans-Jürgen Bäumler (1942-).

1920

Heinz-Adolf Heper (1920-) voetbalde van 1948 tot 1951 bij 1. SC Göttingen 05 in de Duitse Bündesliga. Hij behaalde zijn artsendiploma met het eindwerk ‘Leistungssteigerung durch chemische Hilfsmittel im Sport’, waarin hij zijn eigen ervaring met Pervitine beschreef, dat hij als ‘typisch dopingmiddel uit die tijd’ omschreef. Hij slikte het zelf maar leverde ook dosissen van tien milligram aan zijn ploegmaats, waarvan hij ‘een verhoogde wil om te winnen en een sneller bevattingsvermogen' als positieve effecten vermeldde. Maar hij noteerde ook ‘vervelende nevenwerkingen’, zoals ademnood en verhoogde ventilatie. Al bij al diagnosticeerde hij een ‘grote bedreiging voor de sportman’. Of hij zijn ploegmaats hierover op voorhand had geïnformeerd verzweeg Heper. Later werd hij voetbaltrainer en specialiseerde hij zich in Sportgeneeskunde.

1920

Sammy Lee (1920-2016), een Amerikaan van Koreaanse afkomst, won goud in het torenspringen op de Olympische Spelen van 1948 en 1952. In 1948 haalde hij ook brons op de 3 meter plank. Na de eigen successen coachte hij zijn landgenoten Pat McCormick (1930-), Bob Webster (1938-) en Greg Louganis (1960-) naar Olympisch goud. In 1947 studeerde Lee af aan de University of Southern California. In 1953 tijdens de  Koreaanse oorlog diende hij bij de Medische dienst van het Amerikaanse leger, waarvan hij gebruik maakte om zich in neus-keel-oren te specialiseren. Op de Spelen van 1956, 1964 en 1968 zat hij in de scheidsrechtersstoel bij het schoonspringen.

1920

Jack Matthews (1920-2012) verdiende zeventien selecties voor de nationale rugbyploeg van Wales en werd zesmaal opgeroepen voor de British Lions. Hij was een bikkelhard verdediger en op zeker ogenblik omschreef men hem als de ‘kruising tussen een bulldozer en een bakstenen muur’. In zijn jeugdjaren won hij de nationale atletiektitel 220 yards bij de junioren en in 1939 kroonde hij zich tot nationaal kampioen 100 yards bij de senioren, met een derde plaats op de 220 yards als toetje. Na zijn studies Geneeskunde aan de Welsh National School of Medicine vestigde hij zich als huisarts en in 1980 begeleidde hij de Lions als sportarts tijdens hun trip door Zuid Afrika. Tijdens zijn militaire dienst was hij verbonden aan het Royal Army Medical Corps, maar legde hiij zich ook toe op boksen. Zo betwistte hij een onbesliste partij tegen Rocky Marciano (1923-1969), die van 1952 tot 1956 de wereldtitel bij de zwaargewichten verdedigde. Hij werd ook medisch officier van de Welsh Boxing Association. In 2009 werd hij getroffen door een ernstig CVA, waardoor hij niet meer kon spreken.

1920

De Oostenrijker Ludwig Prokop (1920-2016) werd nationaal kampioen zwemmen, schermen en moderne vijfkamp. Bij Schwimm-Union Sankt Pölten speelde hij ook waterpolo in de hoogste reeks, hij stond overigens mee aan de wieg van die ploeg. In 1944 studeerde hij af als arts en amper twee jaar later benoemde men hem tot hoofd van de afdeling Sportgeneeskunde aan de Universität Wien, en in 1959 werd hij Professor Sportfysiologie aan de Universiteit van Wenen. Van 1974 tot 1990 was hij directeur van het Oostenrijks Instituut voor Sportgeneeskunde en Dopingcontrole. Hij publiceerde meer dan zeshonderd werken en 24 boeken in meerdere talen over sportfysiologie, veranderingen door training, voeding, doping, bloedalcohol en sportschade. Hij was decennia lang lid van de Medische Commissie van het BOIC en de Spelen van Sydney in 2000 waren zijn 26ste deelname. Enkele bekende werken zijn 'Sport – Missbrauch und Chance' uit 1992 en 'Grenzen der Toleranz in der Medizin' uit 1990. Hij was jarenlang vice-voorzitter van de FIMS en van 1976 tot 1980 voorzitter van die vereniging.

1920

De Amerikaan Steve Seymour (1920-1973) won zilver in het speerwerpen op de Olympische Spelen van 1948 in Londen. Om zijn techniek bij te schaven trok hij in 1946 naar Finland, het jaar nadien verbeterde hij het Amerikaans record naar 75m80. In totaal haalde hij drie Amerikaanse titels met zilver op de Pan American Games van 1951 als toetje. Hij studeerde af aan het Los Angeles College of Osteopathic Physicians and Surgeons en vestigde zich als osteopaat in Los Angeles, waar hij ook een kliniek voor alcoholverslaving opstartte.

1920

Met winst op de 400m op de Spelen van 1948 in Londen was Arthur Wint (1920-1992) de eerste Jamaïcaan die Olympisch goud won. Daarna behaalde hij zilver op de 800m en door een spierblessure kon hij niet meedoen aan de 4 x 400m. Vier jaar later in Helsinki maakte hij dat echter goed, goud op de 4 x 400m met het wereldrecord als toetje. Hij hernieuwde ook het zilver van de 800m en finishte als vijfde in de finale van de 400m. Maar hij blonk ook uit in het hoogspringen en verspringen en won in 1937 de 800m op de Central American Games in Panama. Tijdens de tweede Wereldoorlog vervoegde hij het British Commonwealth Air Training Plan en werd hij als piloot naar het front gezonden. Na de oorlog startte hij zijn studies Geneeskunde in het Londense St-Bartholomew’s Hospital, waar hij in 1955 afstudeerde en terug naar Jamaica trok om er zich als enige huisarts in Hanover te vestigen, een parochiedorp in het noordwesten van het eiland. Van 1974 tot 1978 was hij voor zijn land hoogcommissaris in Groot-Brittannië en ambassadeur in Zweden en Denemarken. Daarna keerde hij terug naar zijn geboorteland en ging hij aan de slag in het Linstead Hospital.


rdsm